Actinobacillus - Pleuropneumonie (APP)

De aandoening is wereldwijd verspreid en is bij varkens even belangrijk als Enzoötische pneumonie (EP). Vooral in combinatie met andere secundaire bacteriën kan hoge directe en indirecte schade ontstaan.

Oorzaken

De veroorzaker van APP is de bacterie Actinobacillus pleuropneumoniae. Er zijn wereldwijd 2 biotypen en 12 verschillende serotypen beschreven, die afhankelijk van het land verschillend voorkomen. Het ziektebeeld wordt door de zogenaamde virulentiefactoren bepaald (endo- exotoxine), die leiden tot verstoring van de longmacrofagen (afweercellen van het varken) en de rode bloedcellen.

Symptomen

Men maakt onderscheid tussen een hyperacute, acute en chronische vorm. De overdracht van dier tot dier gebeurt via kleine druppeltjes. Vooral dieren tussen de 9de en 16de levensweek lopen risico. De eerste tekenen treden op 1 tot 5 dagen na de besmetting. Het ziektebeeld hangt sterk af van de aanwezigheid van andere ziekteverwekkers (PRRS, Pasteurella, Influenza, Mycoplasma).

Hyperacute vorm
Hoge koorts (tot 42,5°C), voerweigering, sterk verstoord algemeen welzijn, open muil ademen, blauwrode verkleuring van de oren als teken van problemen met de bloedsomloop, bloederig schuim uit de neus bij de meest zieke dieren. Plotse sterfte kan zich binnen enkele uren voordoen. De ziekte breidt zich sprongsgewijs uit in de stal.

Acute vorm
Koorts tot 41,0°C, verminderde eetlust, goed zichtbare verhoogde ademhalingsfrequentie. Het ziektebeeld is minder uitgesproken dan in de hyperacute vorm. Zonder ingrijpen sterven sommige dieren na 1-2 dagen.

Chronische vorm
De symptomen zijn weinig specifiek. Koorts kan voorkomen, maar niet altijd. Hier en daar hoesten (bvb. na opjagen), minder eten, meer achterblijvers. Onderzoek van de longen laat, afhankelijk van het ziektebeeld, donkere of bloederige, duidelijk afwijkende longen zien alsook vergroeiingen tussen longen en borstkas (Pleuritis). Bij de chronische vorm is het varken nog in staat om de longaandoening te overleven, maar de vergroeiingen blijven en leiden tot achterblijvers en afkeuringen in het slachthuis.

Diagnose

Op bedrijfsniveau kan een vermoedelijke diagnose gesteld worden op basis van het ziektebeeld. Sectie en slachtbevindingen zijn nodig voor de definitieve diagnose. De bacterie kan in het laboratorium aangetoond worden. Bloedonderzoek op antistoffen 2 – 6 weken na de infectie is mogelijk.

Zoeken