Coccidiose / Eimeriose

De aandoening wordt doorgaans als coccidiose omschreven. Tot de onderklasse van de Coccidia behoren ook talrijke andere parasieten zoals Toxoplasma, en daarom wordt beter gesproken van eimeriose.
Bij runderen komen verschillende soorten Eimeria’s voor. Daarvan zijn er slechts enkele die ziekten kunnen veroorzaken. Het onderscheid maakt men op basis van het uitzicht van het parasietenei (oöcyste).
Er zijn 2 vormen van coccidiose bij runderen bekend: stalcoccidiose door E. bovis en E. zuernii en weidecoccidiose (E. alabamensis).
De aandoening treft vooral jonge dieren, meestal jonger dan 1 jaar. Oudere dieren dienen meestal als reservoir voor de ziekte. De uitscheiding van parasieten begint gewoonlijk 3 weken na de besmetting.

Oorzaken

Bij het rund zijn wereldwijd 21 en in Europa 13 verschillende Eimeriasoorten bekend. De besmettingsgraad varieert van 12 tot 100%, afhankelijk van de huisvesting en het weidebeloop.
Elk jaar leidt coccidiose wereldwijd tot een schade van 700 miljoen dollar. De ziektemakende soorten zijn Eimeria bovis, Eimeria zuernii en Eimeria alabamensis.
De infectie gebeurt via de bek, door opname van gesporuleerde eieren van de parasiet. Voor de sporulatie, die in de omgeving plaatsvindt, zijn een hoge temperatuur en vochtigheid vereist. Gesporuleerde oöcysten zijn meer weerstandbiedend dan ongesporuleerde en blijven op de weide tot 1 jaar levenskrachtig.
De lokalisatie van de endogene ontwikkelingsstadia in de verschillende delen van de darm van het kalf verschilt van soort tot soort. De besmettingsbronnen zijn besmet voer, water, hooi, stro, drinkplaatsen, stalwanden en het haarkleed van kalveren.

Ziektesymptomen

Bij aanvang van een besmetting treedt zachtere mest met normale eetlust en normale lichaamstemperatuur eerst op. De volgende dag valt de diarree op. De mest is groenbruin, slijmerig en stinkt. Dit kan overgaan in waterdunne, bloederige mest, dat slijmhuiddelen of muceuze membranen kan bevatten. De staart en de achterpoten zijn door de diarree bevuild. De koorts stijgt naar 40°C en de eetlust vermindert sterk. De dieren vermageren en drinken meer. Rond de vierde dag wordt dunne bloederige mest met persbewegingen en gekromde rug uitgescheiden.
De dieren drogen uit en sterfte kan optreden. Vanaf dag 6 verbetert de toestand van de overblijvende dieren. De bloedbijmenging in de mest verdwijnt, maar de diarree kan nog dagenlang aanhouden. Algemene ziekteverschijnselen zoals zwakte, vermageren en doffe vacht kunnen nog meerdere weken aanhouden. Wanneer er geen bloed in de mest aanwezig is, verloopt het herstel sneller.

Diagnose

De voorgeschiedenis en het klinische ziektebeeld, gevolgd door mestonderzoek, maakt de diagnose zeker. Belangrijk daarbij is dat de symptomen al kunnen optreden tijdens de prepatente periode, dus vooraleer er parasieteneieren in de mest aantoonbaar zijn.

Maatregelen

De eerste maatregel is een goed stalmanagement. Huisvesting, hygiëne, voeding, stalklimaat, leeftijd, stressfactoren (bvb. voerwijzigingen, verhokken) en individuele verschillen (immuunsysteem, gewoontes) bepalen de besmettingsdruk.
Raadpleeg uw dierenarts.

Zoeken