Wormen

Rondwormen

De rondwormen (Nematoden) van het rund behoren tot verschillende wormfamilies. Hieronder volgen de belangrijkste soorten:

Groep Familie Soort
Longwormen Metastrongyliden Dictyocaulus viviparus
Maagwormen Trichostrongyliden Haemonchus spp.
Ostertagia ostertagi
Trichostrongylus axei
Dunnedarmwormen Trichostrongyliden Cooperia oncophora
Nematodirus
spp.
Oesophagostomum
spp.
Knobbeltjeswormen Strongyliden Oesophagostomum spp.
Haakwormen Ancylostomatiden Bunostomum spp.
Spoelwormen Ascariden Toxocara vitulorum

Vaak komen mengbesmettingen voor van verschillende maagdarmwormen. De lebmaagwormen  (Ostertagia ostertagi) en longwormen (Dictyocaulus viviparus) gelden in Europa als de belangrijkste rondwormen (Nematoden) van het rund.

Lebmaagwormen (Ostertagia ostertagi)

De lebmaagworm is een van de belangrijkste maagdarmwormen bij het rund en meteen ook een van de gevaarlijkste. Deze worm leidt tot 2 ziektebeelden:
de zomerostagiose en de winterostagiose.
In beide gevallen overheerst diarree met vermageren, uitdrogen en verminderde eetlust.
Een besmetting met Ostertagialarven vindt doorgaans op de weide plaats. Na orale opname kan deze larve in het slijmvlies van de lebmaag tot maandenlang in haar ontwikkeling verblijven (zogenaamde hypobiose).

Zomerostagiose

De zomerostagiose treedt na opname van grote aantallen infectieuze larven vooral in de maanden augustus en september op bij kalveren tijdens het eerste weideseizoen. De infectieuze larven dringen na opname met het voer binnen enkele uren in de klieren van de lebmaag binnen en verschuilen zich daar. Er ontstaan vervolgens linzengrote knobbeltjes met oedeem van de lebmaagwand. Belangrijk hierbij is dat de lebmaag hierdoor zijn vermogen verliest om zoutzuur te produceren. Daardoor verslechtert de vertering van voereiwitten: de belangrijkste voerbestanddelen worden onvoldoende en op lange termijn helemaal niet meer benut. Na ongeveer 2,5 weken verlaten de wormlarven de knobbeltjes en ontwikkelen zich in korte tijd tot geslachtsrijpe wormen: de eileg kan beginnen. In de maanden juli tot september kan een rund dagelijks enkele miljoenen Ostertagia eieren uitscheiden!

Winterostagiose

De winterostagiose vindt haar oorzaak in de opname van vele wormlarven op de weide in de herfst. Een groot deel van deze larven wordt niet meer geslachtsrijp, maar overwintert ingebed in de maagslijmvlies in een rusttoestand (geremde of hypobiotische larven). Pas op het einde van de winter en in het begin van het voorjaar worden deze parasieten geslachtsrijp en voeren zo tot de zogenaamde winterostagiose gerelateerde ziekten: sterke diarree, verminderde eetlust, oedeem in onderhuid en sterke vermagering. Sterfte kan optreden. Bij lagere besmettingen treden verminderde prestaties op (slechter voerbenutting, geringe groei, verminderde melkproductie). De besmetting van de dieren vindt voornamelijk op de weide plaats met de piek op het einde van de zomer en tijdens de herfst, omdat het larvenaantal op de weide tijdens de zomer gestaag toeneemt. De wormlarven die op de weide overwinteren vormen in het voorjaar een bron van nieuwe besmettingen voor de kalveren tijdens het eerste weideseizoen of voor vaarzen en stieren die nog het vorige jaar al besmet waren. Weiden die in de herfst langdurig als kalverweiden dienst hebben gedaan, zijn het meest besmet met wormlarven.

Longwormen (Dictyocaulus viviparus)

De longworm parasiteert de bronchiën en de luchtpijp en veroorzaakt verstoppingen van de luchtwegen, oedeem, uitzetting en samenvloeien van de longblaasjes (emfyseem) en longontstekingen in geval van bijkomende bacteriële besmettingen.
De opvallendste symptomen van longwormen zijn hoesten, verhoogde ademhalingsfrequentie (ademnood) en koorts. Gewichtsverlies en doffe vacht komen ook voor.

In het eindstadium van de ziekte staan de dieren vaak gebogen naar voor met gestrekte kop en schuim op de bek, waarbij de ziekte vaak fataal is. Vooral jonge dieren worden getroffen. De besmetting gebeurt op de weide door opname van larven die met de mest werden uitgescheiden.
Kalveren en jonge runderen lopen vooral in natte jaren risico. De met het voer opgenomen larven dringen doorheen het slijmvlies van de dunne darm, en liften mee met de lymfestroom naar het hart en bereiken dan via het bloed de longen.
Tijdens de zomer bouwt zich op de weide een steeds toenemende longwormpopulatie op. Daarmee neemt ook het besmettingsrisico toe. Vanaf midden juli is de besmettingsdruk zeer hoog en ontstaan vervolgens duidelijke ziekteverschijnselen. In de herfst opgenomen larven worden niet meer geslachtsrijp, maar kennen een geremde ontwikkeling (hypobiose). In het daaropvolgende voorjaar worden de larven volwassen en vormen ze de oorzaak van een nieuwe besmetting van de weide.

Zoeken